SIMRAD TP32 Stuurautomaat

Introductie

SIMRAD TP10, TP22 en TP32 stuurautomaten zijn ontwikkeld voor zeiljachten tot 12 m (39 ft) met een helmstok. Mechanische onderdelen, elektronica en software zijn samengebracht om betrouwbare stuurprestaties en geminimaliseerd stroomverbruik te realiseren onder uiteenlopende opstandigheden. Door middel van vijf toetsen wordt de stuurautomaat bediend en ingesteld naar vaartuig en omstandigheden. De TP22 en TP32 stuurautomaten kunnen aangesloten worden op externe apparatuur als als een Plotter, een GPS of een windvaan via SimNet of de de NMEA 0183-interface. Ook een afstandsbediening is mogelijk.

Inleiding 

Een AAN- of UIT schakelaar ontbreekt op de Tillerpilot TP32 stuurautomaat, maar gaat direct in de Stand-by modus ‘aan’ bij aansluiten d.m.v. de stekker op 12-volt gelijkspanning. Aanwezige spanning wordt zichtbaar gemaakt door een knipperend LED naast de STBY/AUTO-toets. De rode Bakboord – en groene Stuurboord LED zijn daarbij zwak verlicht momde toetsen bij nacht zichtbaar te maken. Alle functies worden akoestisch bevestigd door een “piep” en visueel aangeduidt door de LED’s.

SIMRAD TP32 stuurautomaat

Opmerking: De NAV-toets op de TP22 en TP32 heeft het label CAL op de TP10

In de Standby-modus kan de trek- duwstang IN en UIT worden bewogen door op de pijltoetsen bakboord (< BB) en stuurboord (> SB) in te drukken, waarmee de stuurstang bevestiging aan de helmstok bij de betreffende roerstand kan worden verbonden. Het zal in veel gevallen gunstig zijn om het schip al bij benadering handmatig het de gewenste koers te laten varen.

Het automatisch sturen (Autopilot) wordt ingeschakeld door de knop STBY/AUTO. De stuurautomaat houdt vanaf dat moment de voorliggende koers vast. De LED naast deze toets stopt met knipperen en blijft permanent branden zolang de automaat zich in de Autopilot-modus bevindt.

Wanneer de STBY/AUTO-toets daarbij ingedrukt wordt gehouden, bliept de stuurautomaat een tweede keer en schakelt dan naar een eerder gebruikte koers. Deze functie kan bruikbaar zijn, bijvoorbeeld wanneer tijdelijk van de ingestelde koers is afgeweken. Deze functie is niet beschikbaar wanneer het toestel van het boordnet losgekoppeld is geweest.

STBY / AUTO omschakelen van Stand-by naar Autopilot

Wijzigen van ingestelde kompaskoers

Door de Bakboor – (<) of Stuurboord  (>) knoppen wordt per druk een koerswijziging van 1 graad ingesteld in de aangegeven richting wat bevestigd door een enkele bliep en waarbij de Bakboord- of Stuurboord LED eenmaal oplicht. knippert Door de langer langer ingedrukt te houden wordt er een koersaanpassing van 10 graden gemaakt, bevestigd door een dubbele bliep en een dubbel oplichten van de LED’s.

Koerswijzigingen van Stuurboord of Bakboord

CALIBRATIE VAN DE STUURAUTOMAAT 

Response Control en Seastate

De SIMRAD TP32 stuurautomaat past de bewegingen van de helmstok aan naar de ingestelde waarden van ‘Response Control’ en ‘Seastate’ bij een afwijking van de kompaskoers. De instelling van de stuurautomaat wordt de ‘roerverhouding’ genoemd. Zowel de Response Control-niveau als de Seastate-instelling kunnen worden aangepast terwijl de stuurautomaat in de Stand-by of in de Autopilot-modus staat.

Response en Seastate instellingenmenu kiezen

Houd de TACK-toets ingedrukt en druk vervolgens op NAV
Het Response Control-menu is geselecteerd, het SB LED licht op (groen).
Er klinken herhaaldelijk pieptonen, het aantal is de indicatie van de huidige instelling.

Door nogmaals op de TACK-toets te drukken wordt overgegaan naar het Seastate-menu.
Bij het Seastate-Menu licht het bakboord-LED op (rood). De Seastate-instelling wordt aangegeven door het aantal hoorbare pieptonen en flitsen van de Nav LED.

Naar het instellingenmenu gaan

Response Control instellingen

A: Response te laag – bij deze instelling reageert de stuurautomaat pas bij een grote koersafwijking, waarna de correctie plaatsvindt met relatief weinig roeruitslag waarmee het schip traag op de gewenste koers wordt teruggebracht en er een langgerekte bochten en wijde slingerkoers ontstaat.
B: de ideale instelling, de stuurautomaat reageert alert op koersafwijkingen en reageert met geringe maar voldoende roeruitslagen. De koersafwijkingen zijn gering.
C: Response hoog – de stuurautomaat reageert met grote roeruitslagen, het vaartuig oscilleert rond
de ingestelde koers in korte bochten maar met forse koersafwijkingen.
D: Overmatige respons koersinstelling is leidend tot aanzienlijke koersafwijkingen omdat de stuurautomaat niet capabel is om de ingezette koerscorrecties te compenseren door terug te sturen. In een extreme situatie zou de stuurautomaat het schip 360 graden rond kunnen sturen.

Door de bakboord-toets en de stuurboord-toets in te drukken kan de Response Control worden gewijzigd naar een niveau tussen 1 en 9

Door de NAV-toets in te drukken worden de instellingen van de Response Control bevestigd en keert men terug te keren naar normaal gebruik.
Door de TACK-toets in te drukken schakelt men over naar het menu om de de Seastate aan te passen.

Opmerking 1) Als Seastate is ingesteld op “AAN”, bevat de responscontrole ook een Baanbreedte-instelling (zie verder bij “Seastate Instellingenmenu”).

Opmerking 2) Wanneer de Response Control is geselecteerd, dan knippert de NAVLED en klinkt er een herhaalde reeks pieptonen. Het aantal flitsen en pieptonen in de reeks geeft het niveau van de Response Control-instelling aan.

Samenvatting instellingenmenu

TACK indrukken en daarna NAV = Response Menu

TACK = overschakel van Response (SB LED) naar Seastate (BB LED)

< of > = Vermeerderen of Verminderen

NAV = terugschakelen naar navigatiemenu

Seastate Instellingenmenu 

In zeegang zullen meer koersafwijkingen worden waargenomen. Wanneer de stuurautomaat op alle koersafwijkingen zou reageren, kan de stuurautomaat overbelast raken en is er sprake van hoog stroomgebruik. Door de functie Seastate in te stellen op “AAN” wordt er een Baanbreedte toegevoegd waarbinnen de boot van koers kan gaan zonder dat er voortdurend correcties worden aangebracht. De grootte van deze baanbrekendste wordt nu aangepast door de Response Control een gunstig compromis te geven tussen koersvastheid en stroomerbruik. Als Seastate is ingesteld op “UIT”, geldt voor alle reactieniveaus (1-9) een vaste minimale Baanbreedte.

Wijzigen Seastate instelling

Druk in de kalibratiemodus op TACK om te schakelen tussen Response Control en Seastate. De bakboord-LED gaat branden. De Seastate-instelling wordt aangegeven door het aantal hoorbare pieptonen en flitsen van de Nav LED. Met de bakboord-toets wordt de Seastate-functie UIT gezet, met de stuurboord-toets AAN. Druk op NAV (CAL) om de instellingen te bevestigen en terug te keren naar normaal gebruik.

Seastate “AAN” als er één pieptoon / flits is
Seastate “UIT” als er twee pieptonen / flitsen zijn.

 

Van Response – naar Seastate menu gaan
Terug naar STBY of Autopilot gaan

Autotrim

Onder verschillende omstandigheden wordt een roerbalans ofwel roerdruk toegepast om een ​​rechte koers te varen. Een voorbeeld is bij close haul zeilen, waarbij het vaartuig normaal gesproken tegen de wind in trekt en de stuurman een roerstand naar de lijzijde geeft om de koers te behouden. De hoeveelheid roerdruk hangt af van factoren zoals windsterkte, bootsnelheid, zeiltrim en hoeveelheid zeil. Als hier geen rekening mee zou worden gehouden, zou het schip de neiging hebben om van koers te veranderen, of tegen de wind in te trekken wanneer het dichtbij de kust vaart.

De Tillerpilot bewaakt continu de gemiddelde koersfout en past ter compensatie een afwijking toe tot de optimale conditie is bereikt door middel van de Autotrim. Deze roerbalans of roerdruk wordt geleidelijk toegepast om de normale prestaties van de Tillerpilot niet te verstoren. Het kan dus ongeveer een minuut duren om volledig te compenseren na het veranderen van tack. Zodra de optimale trim is bereikt, zal de stuurautomaat voortdurend controleren op veranderingen in de heersende omstandigheden, en roerbalans en roerdruk ofwel Autotrim bijstellen.

Opmerking: Autotrim wordt automatisch toegepast en kan niet handmatig worden aangepast.

Communiceren via NMEA
Dankzij de ingebouwde NMEA-processor kan van NMEA 0183 voorzien apparatuur rechtstreeks op de TP22 en TP32 worden aangesloten, zonder dat een aparte interface-eenheid nodig is. Wanneer er een GPS of kaartplotter op de stuurautomaat is aangesloten kan deze de gegevens ophalen die nodig zijn voor de Nav-modus. Ook windmeters die communiceren via NMEA 0183 zijn toepasbaar. Bij het aansluiten van een externe (“talker”) eenheid op de stuurautomaat worden twee terminals gebruikt – meestal aangeduid met DATA en COMMON (of COM). Deze dienen als volgt op de NMEA-kabel van de stuurautomaat te worden aangesloten:

NMEA Out Data / + Data (rood)
NMEA Out Common / – Common (blauw)

Sturen op de wind

De TP22 en TP32 stuurautomaten kunnen de schijnbare windhoek varen in plaats van een kompaskoers met behulp van windgegevens via NMEA-0183 of SimNet. Een SimNet-windvaan is aanbevolen vanwege de snellere gegevenssnelheid, er wordt door de stuurautomaat prioriteit gegeven aan SimNet Wind-gegevens boven NMEA 0183 Wind-gegevens die door de stuurautomaat zijn ontvangen. Om de modus ‘Sturen op de Wind’  te selecteren dient de stuurautomaat in de Auto-modus te staan ​​(druk op STBY / AUTO). Houd vervolgens de bakboord – en stuurboord toetsen samen ingedrukt tot er een dubbele pieptoon hoort. Zowel de bakboord- als stuurboord-LED’s knipperen tegelijkertijd terwijl de stuurautomaat in de modus ‘Sturen op de Wind’ staat. Terugschakelen naar de kompasmodus gebeurd door de stuurboord- en bakboordtoetsen opnieuw gelijktijdig in te drukken.

Door de BB en de SB knoppen tegelijk in te drukken wordt de modus ‘Sturen op Windvaan’ geactiveerd.

In de modus ‘Sturen op de Windvaan’ gaat de stuurautomaat de waargenomen schijnbare windhoek sturen. Alle koersaanpassingen zijn in de ‘Sturen op de Windvaan’ ten opzichte van de schijnbare windhoek, het ingebouwde elektronische kompas wordt door de automaat niet benut. Wanneer zeilende in de modus ‘Sturen op de Windvaan’ de functie TACK gebruik wordt gemaakt, stuurt de automaat de boot over de andere boeg onder dezelfde schijnbare windhoek. Voor de veiligheid is de functie ‘Autotack’ op ruime- en voor de windse koersen automatisch uitgeschakeld.

Bron: Simrad TP10, TP22 & TP32 handleiding

Disclaimer De bovenstaande handleiding is zo nauwkeurig mogelijk beschreven met als bron de Engelstalige handleiding van de SIMRAD TP10, TP22 en TP32  stuurautomaten. Voor het niet goed functioneren of ontstaan van storingen of schade vanuit het gebruik van deze handleiding zijn wij niet aansprakelijk. Het toepassen is voor eigen risico.