Marcussen orgel 1968 • Goes

Maria Magdalenakerk Goes

Het is niet wat je ziet. Dat zou bij de aanblik van dit orgel kunnen gelden. De rijke versiering met kleurrijke en gouden ornamenten en de ‘Turkse Kap’ boven het orgel, een pompeuze koepel met gordijnen en tierelantijnen en de beschilderingen op de luiken doen zeventiende eeuws aan, en dat klopt ook wel enigszins. Maar dat is allemaal buitenkant. Inwendig schuilt er een instrument van geheel andere orde. Een vrij recent maar toonaangevend Marcussen & Søn orgel, van Deense makelij. 

Marcussen & Søn orgel
Marcussen & Søn orgel Grote Kerk Goes

William Daekens

Aan de uit Engeland afkomstige William Daekens werd de opdracht gegeven tot het bouwen van een orgel voor de Grote Kerk van Goes. Gedurende 1641 tot 1643 bouwde Daekens een instrument met twee pedalen en een aangehangen pedaal met 26 registers. Een aangehangen pedaal wil zeggen dat het met voeten bediende klavier geen eigen stemmen heeft maar verbonden is met de orgelpijpen van de manualen.

Jacob Cools

Ruim een halve eeuw later gaat de Rotterdamse orgelbouwer Jacob Cool ofwel Jacob Cools werken aan het orgel van Daekens. Dat gebeurt in de periode van 1704 tot 1711. Hij verplaatst het orgel binnen de kerk, een andere plaats in de kerk, verbouwd de orgelkas en geeft het pedaal eigen registers. Ook de dispositie wordt gewijzigd, in zekere zin ontstaat een ander orgel. Om het orgel te beschermen brengt Cools ook luiken aan. Een kwart eeuw later werkt de Vlaamse orgelbouwer Jacob François Moreau in 1739 aan het orgel. Moreau is ook de maker van het orgel in de Sint Jan van Gouda. Moreau wijzigt de stemming, zeg maar de algehele toonhoogte van het instrument, waarbij ook de ‘Turkse kap’ boven het orgel wordt geplaatst. Ongetwijfeld zal dit effect hebben op de akoestiek.

Van den Bijaardt

In de 19e eeuw werken de orgelbouwers Van Oeckelen en Stulting aan het orgel. De ruim 250 jaar oude klavieren hebben hun langste tijd gehad en worden vervangen, in 1909 moet ook het binnenwerk, het eigenlijke instrument eraan geloven. Door orgelbouwer Van den Bijlaardt wordt in de orgelkast en achter het orgelfront een geheel een nieuw pneumatisch orgel opgesteld. De frontpijpen blijven staan voor de sier en niet meer dan dat, deze worden buiten werking gesteld. Van de dan aanwezige registers worden er slechts zes benut, dat wil zeggen het pijpwerk. Orgelbouwer achter het front. De frontpijpen stelt hij buiten werking. Een zestal oude registers worden benut. Orgelbouwer Dekker voegt in de jaren twintig van de twintigste eeuw het register de Cornet toe.

Pneumatiek

Het instrument van Van den Bijlaardt was geen lang leven beschoren. Het ging slechts een halve eeuw mee, en bleek geheel versleten. In 1930 is er door de firma A.S.J. Dekker nog geprobeerd het probleem op te lossen door te ‘elektrificeren’ dat wil zeggen de overbrengingen bewerkstelligen door middel van talloze contacten onder de toetsen en elektromagneten aan de ventielen. Maar dit is een noodoplossing geweest. Enigszins verklaarbaar wel, een (elektro)-pneumatisch orgel is een techniek op zich. Worden bij een mechanisch orgel alle mechanieken van pedaal, toetsen, registers en ventielen bewogen door honderden stangen, balken en draden, bij een pneumatisch orgel worden alle bewegende delen bediend door honderdenden ventielen en balgen. Alleen al het bespelen van een pneumatisch orgel zonder pijpen staat al garant voor een ‘fluitconcert’. Het Van den Bijlaardt orgel was ‘op’ en versleten.

Marcussen & Søn

Lambert Erné bracht advies uit, waarna de Deense orgelbouwer Marcussen in 1968 een nieuw mechanisch orgel met 39 stemmen wordt gebouwd in de bestaande orgelkassen. Marcussen & Son is een orgelbouwer van naam met internationale bekendheid. Het hoofdorgel in de Laurenskerk van Rotterdam, en ook het inwendige van het tranceptorgel in de Laurenskerk zijn Marcussen & Søn orgels. Het hoofdorgel van de Nicolaïkerk in Utrecht is een ‘Marcussen’. Daarbij werkte orgelbouwer Marcussen & Søn aan de orgels van de Bavokerk (Müller-orgel van 1738, eens bespeeld door G.F. Händel en W.A. Mozart) van Haarlem en de Nieuwe Kerk (Schonat-orgel, 1655) van Amsterdam. Maar tegelijk wordt waar mogelijk oorspronkelijk pijpwerk van Daekens in gebruik genomen van in totaal negen van de oorspronkelijke stemmen zoals het bijzondere register de Tolkaan 4’ en een Roerfluit 8’.

Financiële middelen

Maar daarmee blijft het niet bij dit instrument. Zodra de financiën het toelieten is het orgel verder uitgebreid om het een zo aantrekkelijk mogelijk orgel te laten zijn in het bijzonder voor concerten. In 1974 wordt het bovenklavier uitgebreid met twaalf extra registers, in 1980 komt er een zwelkast rond een deel van het orgel om het volume te wijzigen, en worden er wederom extra meerstemmige registers geplaatst, in 1985 volgt er een uitbreiding met de registers Trompet 4’ en Fagot 16’, zoals orgelbouwer Marcussen & Søn al had bedacht. Want van die twee tongwerken was het eerder nog niet gekomen. Daar was destijds nog geen geld voor. Want ‘ons bin zuunig’ zouden de Zeeuwen zeggen. Of valt dat, het orgel van Goes bekijkende eigenlijk best wel mee?

Marcussen & Søn orgel Goes

Heringebruikname

Zie ook Peter Gerritsz-orgel Middelburg

en De Rijckere-orgel Middelburg

en het Müller-orgel Haarlem

Geef een reactie