Getijden van eb en vloed

Eb en vloed op aarde ontstaan voor een belangrijk deel door de aantrekkingskrachten van de maan en de zon.

Eb en vloed

De zeeën en oceanen op aarde zijn onderhevig aan getijdenbeweging, zichtbaar in regelmatige hoge en lage waterstanden en regelmatige verandering van stroomrichting. Zo kennen de Nerdelandse kustwateren twee maal per etmaal een hoge waterstand, dan is het vloed, en twee maal per etmaal een lage waterstand, dan is het eb. Bij hoog water staat het zeewater aan het strand dichter bij de duinen dan bij laag water, dan is er een breder strand. Bij opkomend tij stroomt het water zeegaten binnen, bij afgaand tij stroomt het water weer naar zee.

Zwaartekracht van de maan

De maan oefent een aantrekkingskracht uit op de watermassa’s op aarde. Maar de aarde zelf oefent ook een ‘zwaartekracht’ uit, die sterker is omdat de aarde groter is dan de maan. Daarom verliest de aarde haar water niet aan de maan, maar hoopt het water van de oceanen zich wel ‘plaatselijk’ op.

De getijden op aarde ontstaan door de zwaartekracht ofwel de aantrekkingskracht van de maan en de zon. Een natuurkundige wetmatigheid is dat er aan iedere massa een zwaartekracht wordt toegeschreven. Hoe groter de massa en hoe dichterbij hoe sterker de zwaartekracht. Wanneer we een voorwerp loslaten valt dat naar de aarde toe, de aarde heeft een vele malen grotere aantekkingskracht dan het voorwerp. De aarde valt dus niet naar dat veel kleinere voorwerp toe maar andersom. De maan is ook een voorwerp in de buurt van de aarde. Een hemellichaam met een aantrekkingskracht op de aarde, die aantrekkingskracht uitoefend op de watermassa’s van de aarde: op de watermassa’s van de oceanen en zeeën.

De maan beweegt het water

Het gevolg daarvan is dat er voortdurend in de richting van de maan een waterbult ontstaat. En omdat de aarde om een denkbeeldige aardas wentelt, bevindt die waterbult zich niet voortdurend op dezelfde plaats op aarde. De waterbult richt zich als het ware voortdurend richting de maan. Vloed en hoog water. Tegelijkertijd is het op andere plaatsen eb en laag water, het water is door de aantrekkingskracht van de maan vandaar weggetrokken. Ook de zon oefent een aantrekkingskracht op de watermassa op aarde uit: werken zon en maan samen dan is er sprake van springtij, ofwel extra hoog en extra laag water. Werken zon en maan minder samen dan is er sprake van doodtij, dan is er minder rijzing en daling van het water.

Middelpuntvliedende krachten

Er zijn daarbij nog meer krachten die spelen. Die verklaren hoe het komt dat er in de richting van de maan een ‘waterbult’ ontstaat maar zoals op de tekening ook een ‘waterbult’ daartegenover. De verklaring wordt gevonden in het fenomeen ‘middelpuntvliedende kracht’. De veronderstelling is dat de aarde en de maan samen een baan om de zon afleggen. En die baan om de zon duurt rond de driehondvijfenzestig dagen ofwel een jaar, waardoor de seizoenen op aarde ontstaan. De aarde en de maan bewegen zich dus gezamenlijke in een baan om de zon, de maan en de aarde als een samenstel in een eclipsvormige maar voor de beeldvorming in een cirkelvormige baan om de zon.

Samenspel van aarde en maan

De aarde beweegt zich in een baan om de zon in bij benadering 365 dagen, de maan beweegt zich in een baan om de aarde in bij benadering 28 dagen.

De aarde en de maan cirkelen daarbij als koppel niet alleen om de zon, maar ook om elkaar heen, in een periode van ongeveer achtentwintig dagen ofwel een maand. Overigens ook in een eclipsvormige baan, soms staat de maan verder weg, soms staat de maan dichterbij. Waarbij in deze beweging het draaipunt tussen de aarde en de maan evenwijdig aan de denkbeeldige aardas loopt maar ook nog binnen grenzen van het aardoppervlak, dus de ‘slingerbeweging’ rond de zon is voor de aarde geringer dan die van de maan. Maar de cirkelbeweging van aarde en maan rond de denkbeeldige (in de tekening gele) as wekken een middelpuntvliedende – of wel centrifugaalkracht op, leidend tot een kracht in tegengestelde richting van vergelijkbare grootte als de aantrekkingskracht van de maan. Waarbij er op aarde ‘vloed’ ontstaat aan de zijde van de maan door diens aantrekkingskracht, en gelijktijdig een ‘vloed’ aan de andere zijde als gevolg van middelpuntvliedende kracht. Een magnefiek samenspel in het heelal!

De getijden van eb en vloed ontstaan door de zwaartekracht van de Maan die uitgeoefend wordt op de watermassa’s op Aarde. Daarbij brengt een middelpuntvliedende kracht een opmerkelijke balans.

De baan van de maan rond de aarde

Voor de cirkelbeweging rond de aarde heeft de maan bijna vier weken nodig, namelijk zevenentwintig dagen, zeven uur en vierenveertig minuten, soms iets meer, soms iets minder. De gezamelijke omwenteling van de aarde en de maan omvat een periode van duurt negenentwintig dagen, twaalf uur en vierenveertig minuten, ten opzichte van de zon betekent dat een verloop van tweeeneenhalve dag. Deze factoren zijn van invloed op de getijden. Dagelijks verschuift het tijdstip van eb en vloed, continu verschuiven de perioden van springtij en doodtij. Aan de Nederlandse kust valt springtij twee dagen na nieuwe maan en volle maan, doodtij valt twee dagen na eerste kwartier en laatste kwartier.

Tweemaal daags eb en vloed

Al het bovenstaande maakt dat er aan de Nederlandse kust tweemaal daags eb en vloed is. De aarde draait in 24 uur rond haar denkbeeldige aardas, een punt op aarde wentelt zich van west naar oost, en dat punt beweegt zich daarmee tweemaal daags onder een vloedberg en onder een ebdal door. Maar er zijn ook plekken op aarde met een eenmaal daags hoog en laag water, er zijn ook in Nederland plekken waar er kort na elkaar twee hoog waters en laag waters zijn. Deze verschillen en verschijnselen komen voort uit de continenenten en kustlijnen waarlangs en waardoor de watermassa’s zich rond de aarde bewegen. Ook verschuift de maan in haar positie ten opzichte van de aarde ieder etmaal, waardoor de tijdstippen van hoog en laag water per getij dagelijks van elkaar verschuiven. De maan loopt wat achter op de aarde, waardoor het iedere dag op een tijdstip later hoog of laag water wordt.

Springtij en doodtij

Springtij bij volle maan en nieuwe maan, doodtij bij eerste kwartier en derde kwartier.

Het ‘Hoogwater’ bij vloed staat niet altijd even hoog en het ‘Laagwater’ bij eb staat niet altijd even laag. Los van de invloed van bijvoorbeeld windrichting en windkracht en de invloed van in zee stromende rivieren is er wel een regelmaat in de verschillen van eb en vloed. Aan de Nederlandse kust staat het water twee dagen na nieuwe maan en twee dagen na volle maan hoger en lager dan rond de andere maanfasen. Na nieuwe maan en volle maan volgt na twee dagen ‘springtij’. Rond het eerste en het derde kwartier spreekt men van ‘doodtij’ met een geringe rijzing en daling. Bij ‘nieuwe maan’ staat de zon ten opzichte van de aarde achter de maan. De aantrekkingskracht van maan en zon samen in dezelfde richting veroorzaken een hogere rijzing. Springtij. Het vergelijkbare doet zich voor bij ‘volle maan’. De aarde bevindt zich dan tussen de maan aan de ene zijde en de zon aan de andere zijde, beiden met hun eigen aantrekkingskracht. Springtij. Bij de maanfase van het ‘eerste kwartier’ en het ‘laatste kwartier’ staan zon en maan onder een hoek met elkaar, de maan en de zon oefenen zonder de krachten te bundelen ieder in een eigen richting aan de watermassa’s op aarde. Dan ontstaat er ‘doodtij’, aan de watermassa’s op aarde wordt verdeeld getrokken. Bij springtij verplaatsen de bijeen getrokken watermassa’s zich in dezelfde tijd op het ritme van de omwentelingen van de aarde. Omdat de grotere hoeveelheden water zich in gelijke tijden toestromen en afvloeien liggen bij springtij de stroomsnelheden hoger dan bij doodtij.

Astronomische navigatie

Oceaanstromen

Getijden

Seizoenen

Wind

Wolken

Sluit Menu